WERKJAAR 2018-2019
Het Atelier zal dit jaar doorgaan op zaterdag 23 maart 2019. Het thema dit jaar is "Het falen van de analyticus".
Het format blijft hetzelfde: een externe spreker brengt ons iets over het gekozen thema. Vervolgens worden er cartels geloot. Deze gelote cartels trekken zich terug met een externe plus-un. De deelnemers kunnen aldus getuigen over hun eigen parcours aangaande het thema. De dag wordt afgesloten met het plenair formuleren van de bedenkingen door de plus-uns. Wie wenst deel te nemen wordt verzocht zich in te schrijven bij Dries Roelandts.
Frederik Van Driessche schreef volgend argument:
De kuur kan als singulier avontuur tussen analysant en analyticus niet zonder de doortastendheid van de psychoanalytische ethiek die strenge eisen stelt aan het het handelen van de analyticus. Dit ethisch handelen, dat we ook wel de ‘analytische act’ noemen, vereist een zeker ‘tact’. Het strekt zich uit tot een dimensie die verder gaat dan de analytische theoretische maar heeft niet minder inspraak in de realiteit van het analytisch werk.
[toggleblock title="WERKJAAR 2017-2018"]
Het atelier zal plaatsvinden op 28 april 2018, vanaf 9u30
'De kost van de analyse'
Het atelier voor psychoanalyse is een kader waarin het Gezelschap en haar leden zich buigen over het vraagstuk van de analytische positie. Na enkele jaren atelier met moeilijke, abstracte en afschrikwekkende thema’s die steeds de opdeling subject/object als voorwerp hadden, kiezen we dit jaar een meer toegankelijk thema: de kost van de analyse.
Hoeveel kost een analyse? In tijden waarin transparantie het codewoord is, vermelden zelfs analytici soms op hun website haarscherp hoeveel een sessie kost. Weet de kandidaat-analysant – of moeten we hier eerder ‘de cliënt’ schrijven? – daar iets mee? Misschien dat hij zou kunnen dingen naar een lager tarief dan het zogenaamd gangbare? Hij weet in elk geval niet wat het hem in totaal zal kosten, aangezien de duur van het analytisch werk zich helemaal niet scherp laat bepalen. Weet hij met die prijs iets over de inkomsten van de analyticus? Waarom prijkt het prijskaartje van een analyticus op zijn website? Freud vond dat hij zijn prijs mocht hebben omdat hij iets te bieden had. Lacan zag zijn geld graag.
Is het dan in de eerste plaats het verlangen van de analyticus dat spreekt via geld? Of zijn het de resten genot? Is geld een object zoals een ander? We zullen het dus op dit atelier opnieuw moeten hebben over het subject en het object …
Springen we even naar een ander object; het orale. De kost van de analysant mag ook begrepen worden als wat hij of zij eet, of eventueel niet eet. En misschien nog pertinenter: waarmee voedt de analyticus zich?
De kost van de analyse mag inderdaad ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat niet in de eerste plaats over het geld. Het gaat over de kost van de analyse en niet over een analyse van de kosten. We bieden weerstand tegen een kapitalistisch discours dat in zijn zot draaiende mechaniek alles – dus ook de zorg- en spreeksector – dreigt mee te slepen.
Ja, een analyse kost veel tijd, geld en moeite, en ook bloed, zweet en tranen. “Waarom kan ik niet veranderen terwijl ik wel weet dat ik het anders zou willen?” vraagt de analysant. Hij zet via zijn symptoom het diepste van zijn zijn op het spel, zonder te weten hoeveel de separatie van de jouissance hem zal kosten[1].
De kost van de analyse evoceert het genot. De kosten laten toe om de eindmeet te halen. Om niet met schulden achter te blijven.
Het gratis aangeboden atelier voor psychoanalyse kost de deelnemers dat ze zichzelf als subject en object ondervragen. Dat is de enige voorwaarde, die uiteraard impliceert dat men klinisch werkt en dit werk, maar vooral zichzelf, bevraagt. Ook in deze editie blijven we trouw aan het principe dat de overdracht waaronder men spreekt zich toch enigszins anders organiseert dan in een kuur of supervisie, bijvoorbeeld. We loten kartels en plus-uns van buiten het Gezelschap. Met dat laatste houden we ook aan het principe van de heterogeniteit.
[1] Adam, Jacques (2004), L’entrée en analyse: les entretiens préliminaires. Hétérité 4.
[/toggleblock]
De kuur kan als singulier avontuur tussen analysant en analyticus niet zonder de doortastendheid van de psychoanalytische ethiek die strenge eisen stelt aan het het handelen van de analyticus. Dit ethisch handelen, dat we ook wel de ‘analytische act’ noemen, vereist een zeker ‘tact’. Het strekt zich uit tot een dimensie die verder gaat dan de analytische theoretische maar heeft niet minder inspraak in de realiteit van het analytisch werk.
Daar dient zich een moeilijkheid aan. Hoe kunnen we hierover spreken? En op welke manier zou het mogelijk zijn daarrond desalniettemin iets te collectiviseren? We begeven ons wellicht op het terrein van de kunst, van de creatie, dat per definitie niet in de moule van een protocol kan worden gegoten, maar strikt verbonden is aan tijd en ruimte, van het singuliere moment van in de ontmoeting tussen deze analysant met deze analyticus.
De extreme singulariteit ontneemt de analyticus niet van zijn persoonlijk engagement, dat begint en eindigt bij het hanteren van de overdracht. Via het ‘gepast’ onthalen van het gesproken woord biedt de analyticus de analysant de ruimte die nodig is opdat de overdracht kan plaatsvinden en zich verder kan ontwikkelen doorheen de kuur. Met het hantering van de overdracht komt men als het ware tot de essentiële en fundamentelekunst eigen aan de psychoanalyse. Zij laat zich niet zomaar aanleren, maar desalniettemin dient elke analyticus zich in diens eigen parcours de kunst eigen te maken op analytische wijze om te gaan met het dragend fenomeen van de analyse.
Vanuit wetenschappelijk oogpunt kan men doorheen een kuur verschillende dimensies en ontwikkelingen van en in de overdracht erkennen – zoals in de variaties tussen negatieve overdracht, liefdesoverdracht en overdrachtsliefde. Het is Freuds verdienste als eerste er de obstakels en impasses voor de analyse te zien verschijnen, maar het fenomeen ook binnen de analyse te trekken – ook al stootte hij daar zelf op een zekere conceptuele grens, beschreven in ‘Eindige en oneindige analyse’. Daar valt dit jaar mogelijks een eerste inspiratiebron te rapen voor het atelier.
Tegenoverdracht is overdracht, zo stelde Lacan. Dit betekent niets minder dan dat ook de analyticus zelf mee vorm geeft aan de overdracht. Maar hij kan deze ook – al dan niet onherroepelijk – bemoeilijken, of de analyse zelfs onmogelijk maken. Het is rond deze vraag dat we ons in het het komende atelier willen samenbrengen. Het vervoegt Lacans waarschuwingen in ‘Direction de la cure et les principes de son pouvoir’, die hij omschrijft als “payer de sa personne” (“Il la prête comme support aux phénomènes singulier que l’analyse a découverts dans le tranfert”) en“payer de son être” (“Payer de ce qu’il y a d’essentiel dans son jugement le plus intime, pour se mêler d’une action qui va au coeur de l’être”) ?
Het is de taak van de analyticus om ook te getuigen over diens eigen falen, over de vreemde effecten die het eigen verschijnen in, maar ook buiten de kuur hebben gehad op het verloop van de analyse met deze of gene analysant. De getuigenissen van eenieder in het Atelier mogen ons in hun diversiteit openingen bieden voor de singuliere wijze waarop eenieder in het eigen werk zelf de kunst van het werken met en bewerken van de overdracht weet te hanteren.
Deze kunst is niet te reduceren tot de fatsoenlijkheid van het ‘gepaste gedrag’ zoals door Cicero onderzocht in ‘De Officiis’ (44vC), waarin hij het ideaal decorum beschreef en onderscheidde volgens vier personae – (1) het algemeen morele denken, (2) het specifieke karakter, (3) de maatschappelijke positie en (4) de eigen keuze (carrière bvb). Integendeel! De analyse onttrekt zich in zekere zin aan de fatsoenlijkheid. Wars van alle moraliteit vraagt zij de sociale verhouding in de kuur radicaal anders te blijven denken. Maar ze gebiedt ons de eigen implicaties zo goed mogelijk te overzien, niet in het minst vanwege de waarschuwing dat we nooit volledig in staat zijn de effecten ervan te meten, is het onze taak de ongewenste effecten van onszelf uit de analyse te weren (cf Lacan, Ecrits, p.587).
De uitdaging is groot, maar laat ons deze moedige opdracht toch aangaan. Hiermee snijden we in zekere zin het vraagstuk van de #metoo van de psychoanalyse aan. We willen nadenken en getuigen over de zone (ruimte) en momenten (tijd) in het analytisch werk waarin we als analytici grenzen overschreden hebben die al-dan-niet blijvende effecten hebben gehad op het verloop van de verdere kuur. Het misverstand schuilt om de hoek, dus toch even dit meegeven: in het werk in het Atelier willen we ons niet focussen op de ‘fouten’ en de ‘schuld’ die de risico’s van ons werk onvermijdelijk inhouden – elke analyticus blijft ook steeds analysant, daar willen we graag van uitgaan! Dit mag echter geen excuus tot laksheid betekenen. Daarom dagen we elkaar uit tot het ethisch bevragen van onze praktijkvoering, in het getuigen en nadenken over de consequenties die dit ‘falen’ van de analyticus kan hebben op de kuur.
Het spreekt voor zich dat het Atelier zich niet beperkt tot de klassieke kuur en evenzeer ruimte biedt voor getuigenissen over het werk in overdracht binnen de instelling. (FVD)